Vandaag stond het plein opnieuw vol mensen die weigeren te vergeten. Het protest voor de vrijlating van de Azovstal‑gevangenen bracht een mix van oud-strijders, familieleden, kinderen en burgers samen — allemaal met één doel: laten zien dat hun broeders nog steeds vastzitten, en dat hun strijd nog niet voorbij is.
Wat meteen opviel, was de zichtbare littekens van oorlog. Mannen en vrouwen zonder arm of been, mensen in rolstoelen, anderen die moeizaam voortbewogen maar toch aanwezig waren. Niet als symbool, maar als levende getuigen van wat oorlog doet met een lichaam en een leven. Een oorlog is als een kankercel in de wereld: hij vreet, hij verspreidt zich, en hij laat altijd gewonden achter. Maar zelfs wie zwaar getroffen is, blijft rechtstaan wanneer het om hun kameraden gaat.
Tussen hen stonden familieleden — moeders, vaders, partners, kinderen — die hun dierbaren al veel te lang moeten missen. Sommigen van de vrijgelaten gevangenen waren er ook, hun blik scherp, hun stem vastberaden. Zij weten als geen ander wat er achter die Russische hekken gebeurt, en hun aanwezigheid gaf het protest een extra laag van urgentie.
De stad zelf deed mee. Auto’s reden rond, toeterend, met vlaggen en stickers van Azovstal. Het geluid golfde door de straten, als een reminder dat deze mensen niet vergeten zijn, dat hun verhaal nog leeft, dat hun namen nog klinken.
Het was geen massaprotest met grote podia of slogans. Het was iets anders: een stille, menselijke frontlijn. Een plek waar hoop en pijn naast elkaar stonden. Waar mensen met littekens — zichtbaar of onzichtbaar — lieten zien dat solidariteit sterker kan zijn dan angst.
En boven alles hing één boodschap:
Zolang onze broeders gevangen zitten, blijven wij spreken.
Reactie plaatsen
Reacties